Wet BOPZ toegepast bij vroege zwangerschap van verslaafde

Cocaïnegebruik kan in lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk opzicht een gevaar voor de gebruiker opleveren, zeker wanneer deze zwanger is. Voor de ongeborene blijkt er al vanaf de conceptie een gevaar te bestaan. Indien er sprake is van gevaar voor de ongeboren vrucht, blijkt toepassing van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen ook vóór 24 weken zwangerschap mogelijk. De expliciete discussie over de implicaties van het ‘Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind’ (IVRK) in het licht van de Wet BOPZ is nog niet gevoerd. Wij pleiten ervoor dat het IVRK eerder – dus vanaf de conceptie – en nog strikter dient te worden toegepast. De risico’s voor de ongeborene en de zwangere zelf moeten per casus worden afgewogen tegen de inbreuken op de autonomie van de verslaafde patiënt. Als minder ingrijpende methoden falen, zal gezocht moeten worden naar meer dwingende manieren om verslaafde zwangeren ander gedrag op te leggen. Als de rechter na een zorgvuldige procedure tot het besluit komt om een verslaafde zwangere gedwongen op te nemen om de foetus te beschermen, zijn we het daar mee eens. Wij hopen dat de voorgestelde Wet Verplichte GGZ het mogelijk maakt om alternatieve, minder vergaande middelen in te zetten, bijvoorbeeld intensieve coaching of het aanwijzen van een voogd voor de duur van de zwangerschap.

http://www.ntvg.nl/publicatie/wet-bopz-toegepast-bij-vroege-zwangerschap-van-verslaafde/volledig

Herkenning van psychiatrisch kwetsbare zwangeren

Het doel van dit onderzoek was onderzoeken of met behulp van een vragenlijst potentieel psychiatrisch kwetsbare zwangeren vaker herkend worden, in vergelijking met herkenning door de gynaecoloog op basis van de anamnese. Gedurende 3 maanden werden alle zwangeren die verwezen waren naar de polikliniek Verloskunde gescreend op een verhoogd risico op een postpartumdepressie met de ‘Edinburgh postpartum depression scale’ (EPDS) en een vragenlijst naar psychosociale stressoren. Achteraf werd vastgesteld of de gynaecoloog de zwangeren met een potentiële psychiatrische kwetsbaarheid ook als risicopatiënten had herkend en ze had aangemeld voor een multidisciplinaire bespreking met professionals vanuit de psychiatrie, obstetrie en pediatrie, het zogenaamde ‘POP-overleg’. In het onderzoek werden 243 zwangeren geïncludeerd, waarvan 13 (5,3%) werden besproken in het POP-overleg. Met de vragenlijst meldden 65 zwangeren (27%) een psychiatrische voorgeschiedenis en 9 (3,7%) psychofarmacagebruik. Respectievelijk 11 en 2 van deze zwangeren waren besproken. 28 zwangeren (12%) hadden een score van ≥ 12 op de EPDS, waarvan 7 waren besproken. 26 zwangeren (11%) rapporteerden 2 of meer psychosociale stressoren, 9 hiervan waren door de gynaecologen ingebracht in het POP-overleg. Conclusie: volgens de EPDS was 12% van een tweedelijnsgroep zwangeren mogelijk verhoogd kwetsbaar voor postpartumdepressie. De zwangeren rapporteerden ook regelmatig psychosociale stressoren en middelengebruik. Gynaecologen bespraken een grote minderheid van deze potentieel psychiatrisch kwetsbare zwangeren in het POP-overleg. Explicieter uitvragen van psychiatrische en psychosociale kwetsbaarheden verbetert wellicht de herkenning. Of multidisciplinaire bespreking van potentieel kwetsbare zwangeren leidt tot preventie en adequatere behandeling van psychiatrische problematiek moet nader onderzocht worden.

http://www.ntvg.nl/publicatie/Herkenning-van-psychiatrisch-kwetsbare-zwangeren/volledig