Use of Antidepressants During Pregnancy and Risk of ADHD in the Offspring

Van
R. Figueroa

In
Journal of Developmental & Behavioral Pediatrics 31:641-648, 2010.

Onderwerp

De relatie tussen blootstelling aan antidepressiva (middelen tegen depressie) tijdens de zwangerschap en het risico op het ontwikkelen van Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) bij het nageslacht.

Achtergrond

ADHD wordt gekenmerkt door een aanhoudend concentratiegebrek en/of hyperactiviteit/impulsiviteit waardoor er moeilijkheden ontstaan op het gebied van contacten met anderen, school of werk.
ADHD wordt veroorzaakt genetische factoren en omgevingsfactoren.
Ook komt er uit onderzoek naar voren dat stress tijdens de zwangerschap een risicofactor is voor het optreden van zwangerschapscomplicaties en ADHD.

Daarnaast kan psychische problematiek van ouders een beperking veroorzaken in gezonde hechting met het kind. Hechting is het verlangen van het kind nabijheid te zoeken bij één of meerdere specifieke personen. Deze hechting is essentieel voor de emotionele en cognitieve ontwikkeling van het kind.

Er zijn een aantal studies verricht naar de neuropsychologische ontwikkeling van kinderen na blootstelling aan antidepressiva tijdens de zwangerschap, zie ook de samenvatting van één van deze studies.
Tot nu toe worden er subtiele motorische effecten beschreven en lijkt er geen verandering te bestaan in cognitieve functies, taalontwikkeling, temperament en externaliserend gedrag (problemen met de omgeving).

Studie

De studie is retrospectieve en observationeel van aard. Retrospectief houdt in dat de studie terugblikkend van aard is. Het observationele karakter van de studie kenmerkt zich doordat er in het onderzoek gegevens worden verzameld maar er geen interventie of behandeling plaats vindt.

Doel

Vaststellen van een relatie tussen psychiatrische problematiek bij een of beide ouders, respectievelijk blootstelling aan antidepressiva tijdens de zwangerschap en het risico op ADHD bij het nageslacht.

Methode

In deze studie werden ingediende declaraties (rekeningen) bij het zorgverzekeringssysteem van een aantal grote Amerikaanse bedrijven geanalyseerd.
Zowel poliklinisch als klinische declaraties waarop een primaire of secundaire diagnose ADHD vermeld stond werden geanalyseerd. Daarnaast werden recepten voor stimulantia (medicatie welke bij ADHD worden voorgeschreven) geanalyseerd.

De declaraties van 38.074 kinderen geboren tussen 1997 en 2002 en hun families werden geanalyseerd. De onderzoekers analyseerde dus alleen de bij de verzekering ingediende en bekende informatie. Er werd hiernaast geen diagnostiek verricht.

Resultaten

Er werden 431 kinderen uit de 38.074 families geïdentificeerd met een diagnose of behandeling voor ADHD op of voor 5 jarige leeftijd.
Bij kinderen van moeders die behandeld werden met een bepaald middel tegen depressie, bupropion, tijdens de zwangerschap kwam ADHD significant vaker voor:

  • 114 moeders gebruikten bupropion tijdens de zwangerschap en bij 5 van hun kinderen (4.39%) ontwikkelde ADHD.
  • 916 moeders gebruikten een groep medicamenten tegen depressie, selectieve serotonine heropname remmers (SSRI), tijdens de zwangerschap waarvan 23 (2.51%) ADHD ontwikkelde.
  • 3523 moeders maakten een depressie door tijdens de zwangerschap maar gebruikte geen antidepressiva, 88 van hun kinderen ontwikkelde ADHD (2.49%).

Bupropion gebruik afgeleid uit het innen van een recept voor bupropion tijdens het tweede trimester van de zwangerschap gaf een verhoogde kans op de diagnose of behandeling van ADHD bij het kind.
Recepten uitgeschreven in het eerste of derde trimester of na de zwangerschap waren niet geassocieerd met een verhoogd risico op ADHD bij het kind.

Er werd geanalyseerd welke factoren geassocieerd zijn met een verhoogd risico op het ontwikkelen van ADHD bij het kind.
Hierbij kwam naar voren dat jongens een verhoogd risico op ADHD hebben. De leeftijd van moeder, of perinatale complicaties (zoals vroeggeboorte of een laag geboortegewicht) zijn niet geassocieerd met een verhoogd risico op ADHD.
Een diagnose ADHD bij één van de ouders was sterk geassocieerd met ADHD bij het kind.
Andere psychiatrische ziektebeelden bij moeder verhoogde ook de kans op ADHD bij het kind, psychiatrische ziektebeelden bij vader echter niet.

Blootstelling aan andere antidepressiva of medicatie voor andere psychiatrische ziektebeelden tijdens de zwangerschap was niet geassocieerd met een verhoogd risico op ADHD bij het nageslacht.

Bespreking

Sterke punten

Er is sprake van een grote groep patiënten.
De gegevens werden over meerdere jaren verzameld.

Minder sterke punten

Doordat de gegevens bestaan uit informatie op basis van declaraties en niet uit directe observatie of meting van symptomen of diagnoses, kan er sprake zijn van meer vals positieven en meer vals negatieven. Een patiënt wordt bijvoorbeeld als Bupropion gebruiker geteld, terwijl deze patiënt de medicatie nooit heeft ingenomen (vals positief) of een patiënt heeft een depressie, terwijl dit uit de gegevens niet naar voren komt (vals negatief).

Ook is er een beperking met betrekking tot het identificeren van variabelen zoals de psychische gezondheid van moeder, middelen misbruik, perinatale complicaties (zoals vroeggeboorte en een laag geboortegewicht) en demografische factoren.

ADHD wordt in deze studie op een relatief jonge leeftijd vastgesteld en behandeld. Mogelijk zijn alleen de meest ernstige gevallen van ADHD vastgesteld of zijn andersoortige gedragsproblemen gelijkend op ADHD als ADHD benoemd.

Er werd slechts een klein deel van de rokende moeders geïdentificeerd, gebaseerd op declaraties van nicotine gerelateerde problemen of een stoppen met roken behandeling.

Aangezien roken tijdens de zwangerschap wordt beschreven als risicofactor voor ADHD bij het nageslacht is het ontbreken van adequate cijfers over het wel of niet roken van de moeder een belangrijke beperking.

Bupropion wordt tevens voorgeschreven als 2e keus medicament bij ADHD. Aangezien het 1e keus medicament, methylfenidaat (Ritalin), niet is toegestaan tijdens de zwangerschap, is het mogelijk dat een aantal moeders in deze studie bupropion voorgeschreven kregen met als indicatie ADHD. Dit betekent dat het verhoogde risico op AHDH bij het kind (deels) gebaseerd kan zijn op een genetisch effect.

Daarnaast wordt er in deze studie vanuit gegaan dat bupropion is voorgeschreven als anti-depressivum, terwijl bupropion ook wordt voorgeschreven voor ondersteuning bij het stoppen met roken. Dit betekent dat het verhoogde risico op ADHD bij het kind (deels) gebaseerd kan zijn op het effect van roken.

Tenslotte kan aangemerkt worden dat ondanks het grote aantal families, de groep moeders die bupropion gebruikten tijdens de zwangerschap (114) en het aantal van hun kinderen waarbij ADHD werd vastgesteld/behandeld (5) relatief klein is.

Conclusie

Uit deze studie komt naar voren dat psychiatrische problematiek van de moeder de kans groter maakt dat ADHD wordt vastgesteld bij het nageslacht. Dit lijkt grotendeels te berusten op de in eerder onderzoek aangetoonde relatie tussen omgevingsfactoren tijdens de zwangerschap (zoals stress en roken) en ADHD bij het nageslacht.

Ten tweede pretendeert deze studie een associatie aan te tonen tussen bupropion gebruik tijdens de zwangerschap en ADHD bij het kind.

Doordat er enerzijds geen gebruik is gemaakt van gestandaardiseerde diagnostiek en er anderzijds onvoldoende gegevens zijn over factoren die van invloed zijn op het ontstaan van ADHD bij het kind, zoals het roken van moeder tijdens de zwangerschap, de psychiatrische diagnoses en de indicatie voor bupropion, moet deze associatie met grote terughoudendheid worden geïnterpreteerd.

In vervolgstudies zal moeten worden onderzocht of de in deze studie beschreven associatie berust op een daadwerkelijk oorzakelijk verband.